Hallo Gast

Column - De opkomst en ondergang van broodfondsen

  • 0 Reacties
  • 549 Gelezen
Column - De opkomst en ondergang van broodfondsen
« Gepost op: 12 augustus, 2018, 17:36:24 »
Je hoort er steeds meer over: broodfondsen. Een kleine groep ondernemers steunt elkaar financieel bij arbeidsongeschiktheid. Deze fondsen spreken mij om drie redenen aan:

1. het is kleinschalig en persoonlijk;
2. deelname is vrijwillig;
3. er is geen overheidsbemoeienis.

De boekhouding van een fonds van maximaal 50 ondernemers is overzichtelijk. Iedereen kan precies zien wat er gespaard wordt en wat er uitgekeerd wordt. De ondernemers kennen elkaar persoonlijk en de onderlinge schenkingen zijn persoonlijk. De drempel om je als lid ziek te melden en een beroep te doen op de vrijgevigheid van bevriende ondernemers, is hierdoor vele malen hoger dan bij een grote verzekeraar.

Door de vrijwillige deelname zijn deelnemers veel meer geneigd de afspraken, de imperfecties en consequenties te respecteren en te ondersteunen dan bij een verplicht fonds. Als je het niet ondersteunt en niet echt wilt laten slagen, word je gewoon geen lid.

Broodfondsen zijn zelfregulerend binnen de bestaande wettelijke kaders. Zij kunnen hun eigen regels opstellen zolang deze niet in strijd zijn met de wet. Tevens is het fiscaal-neutraal. De inleg is niet aftrekbaar en de ontvangen schenkingen zijn niet belast. 

Allemaal prima maar er zijn serieuze bedreigingen.

Hoewel broodfondsen zullen zeggen dat zij geen verzekeraars zijn, is het oogmerk wel degelijk om een bepaalde inkomens-zekerheid te geven bij arbeidsongeschiktheid. Daar ontstaat meteen het eerste probleem: wat is arbeidsongeschiktheid?

Arbeidsongeschiktheid zoals we dat van de vroegere WAO kennen, ging over het verlies van verdiencapaciteit. Als je altijd 100.000 euro verdiende, en door ziekte theoretisch nog maar 50.000 kon verdienen, dan daalde de verdiencapaciteit met 50% en was je dus 50% arbeidsongeschikt.

Broodfondsen gaan niet uit van deze gebruikelijk definitie van arbeidsongeschiktheid maar van een soort elementair inkomen. Er moet minimaal brood op de plank komen. Maar een sociaal minimum is het ook niet want er wordt niet gekeken naar de totale vermogens- en inkomens-situatie van het lid dat zich ziek meldt. Het begrip "Brood" is niet helder gedefinieerd.

Stel: een lid van het broodfonds heeft een adviesbureau. Dit lid is getrouwd en samen bezitten zij een huis van 475.000 euro. De partner heeft een goede baan. Het lid wordt ziek en doet een beroep op het broodfonds. Wordt hier brood op de plank gefinancierd of is het toch een vergoeding voor verloren inkomen?

Het gebrek aan heldere definities en kaders is weliswaar problematisch maar wordt in de praktijk opgevangen door vertrouwen en persoonlijk contact. Dit kan echter alleen werken in een kleinschalige en persoonlijke setting. De onvolmaaktheden kunnen worden gladgestreken juist omdat het vrijwillig, persoonlijk en kleinschalig is. Men komt er (vaak) wel uit.

Nu het aantal broodfondsen sterk aan het groeien is, is het interessant om te bekijken hoelang de drie succesfactoren vrijwilligheid, persoonlijkheid en kleinschaligheid de komende jaren stand zullen houden. Het gaat immers over fondsen waar geld in zit. Steeds meer geld. Nu gaat het nog over miljoenen, maar over een paar jaar wellicht over honderden miljoenen.

De eerste bedreiging is reeds zichtbaar omdat broodfondsen overkoepelende afspraken maken met andere broodfondsen. De veiligheid van kleinschaligheid komt hiermee in gevaar. Als lid kun je nu niet alleen moeten betalen voor jouw bevriende zieke collega-ondernemer maar ook voor ondernemers die je helemaal niet kent. En die hebben misschien wel een veel duurder huis dan jij en inkomsten waar jij niets van weet.

Vroeg of laat komen er rechtszaken. Een ondernemer vindt dat hij of zij recht heeft op een schenking. De ondernemer vindt zichzelf ziek, het broodfonds vindt van niet. Een andere ondernemer is lid van drie broodfondsen. Twee broodfondsen gaan over tot uitbetaling, de derde vindt het echter wel welletjes maar schiet te kort om dat goed te onderbouwen.

De overheid zal vroeg of laat ook iets willen regelen. Dan komen er regels voor broodfondsen over acceptatie van nieuwe leden, betere definities van arbeidsongeschiktheid en verplichte verdeling van fondsen over andere fondsen. Vervolgens komt er een nationaal fonds en niemand heeft meer zicht op hoeveel geld er in komt en hoeveel er uit gaat. In het bestuur van het nationale broodfonds zien we opeens allerlei oud-politici terug.

Tot slot zal deelname verplicht worden. En dan staat de deur open om vertrouwen en persoonlijkheid volledig te vervangen voor strakke regels, procedurele verplichtingen en hoge drempels om uit te keren.

Een kwetsbaar maar mooi initiatief van ondernemers om voor elkaar te zorgen, dat werkte omdat het klein, persoonlijk en vrijwillig was, groeit kapot en wordt vakkundig weggereguleerd door de staat.

Maar men kan altijd weer opnieuw beginnen. Met vlees-fondsen of soja-fondsen. Iets waarmee ondernemers elkaar zonder overheidsbemoeienis kunnen helpen. Met simpele regels. Met klungelige kaders en problematische definities. Dat geeft op zich niet want het is kleinschalig, persoonlijk en vrijwillig. Dus kan het weer werken. Zolang het geen succes wordt.

Bert-Jan Wiegeraad
« Laatst bewerkt op: 13 augustus, 2018, 09:09:27 door Bert-Jan Wiegeraad »
Bert-Jan Wiegeraad (klantenservice@acumulus.nl)